Uit de veren

Ze ligt in bed. Vrij ongebruikelijk. Het is één keer eerder gebeurd in de afgelopen jaren.

 

Op de afdeling begeleid wonen voor mensen met een verpleeghuisindicatie en een psychiatrische aandoening.

Ze ligt in bed. Vrij ongebruikelijk. Het is één keer eerder gebeurd in de afgelopen jaren. Dat was de ochtend toen ze in tranen vertelde: “Mijn zoon is dood. Hij heeft zich opgehangen. Drugstoestanden. Vier jonge meiden laat ie achter bij twee verschillende vrouwen. Verschrikkelijk!”.

En ze is stil, doodstil. Geen enkel geluid klinkt als een zorgmedewerkster me met een zorgelijk gezicht binnenlaat in het appartement. Die stilte, dat is helemáál ongewoon. Normaliter praat ze in associaties, op rijm, non-stop.

Als de dood van Pierlala ligt ze in bed. Ze begroet me met: ”Ik voel me eiges helemaal niet lekker”. In haar ochtendjas ligt ze in een groot tweepersoonsbed. Dat heeft haar zoon een paar jaar geleden nog voor haar geregeld. Op een stoel staan kopjes en kommen met resten van verschillende inhoud. Het gordijn is dicht.

Ik schuif een lege stoel bij en met de gitaar in de aanslag ga ik zitten. We zijn samen stil.

“Ja, ik voel me eiges helemaal niet lekker”, zegt ze na een tijdje en meteen erachter aan: “Hartstikke leuk dat je er bent”. Ze kijkt me met doffe ogen aan.

Dan begint ze uit zichzelf te zingen. Over een boer, kippen en een haan en al hun mooie veren. Ik val in met de gitaar. Het ene liedje rijgt zich aan het volgende. Vooral oudhollandse nummers zorgen voor herkenning en nog belangrijker: voor een expressieve uitlaatklep.

Onze gezichten spreken steeds meer boekdelen. Over een klein kleutertje dat alle bloempjes plukt en mamaatje smeekt om het alsjeblieft niet tegen papaatje te zeggen. We leven ons helemaal uit en vol emotie zingen we onze muzikale kettingreactie.

En dan, na twee nummers die we met aandachtige herhaling zingen, zie ik iets veranderen. De levenslust keert terug in haar wezen. Ze zegt, wederom uit zichzelf: “Ik zal me eiges maar es aankleden, anders denken ze nog dat ik hartstikke ziek ben”.

Ik trek me terug in de aangrenzende kamer en houd een voorzichtig oogje in het zeil. Ondertussen improviseer ik op de gitaar, als achtergrondmuziek voor haar aankleedbezigheden. Op haar gemakje haalt ze het ene na het andere shirt uit de kast. Ze drapeert ze vol zorg op de bank: één met glitters, één met bloemen, één met pailletten. “Hebben ze dan geen mooie veren?”, zingen we nog maar eens een keer. In hemd en onderbroek drentelt ze heen en weer tussen de slaapkamer en de huiskamer. Samen bewonderen we haar garderobe. We proberen en keuren, zoeken passende combinaties bij elkaar. Als laatste kiezen we een paar modieuze gymschoenen om haar outfit compleet te maken. Nog een kam door haar haar.

“Ik zal maar eens naar beneden gaan”, stelt ze voor. Met haar handen vol vuil, rinkelend serviesgoed loopt ze naast me naar de lift. Beneden aangekomen wordt ze met grote verbaasde ogen en open armen ontvangen door medebewoners en zorgmedewerkers. Iedereen vraagt vol belangstelling hoe het gaat. Het bleek dat ze drie dagen voor dood op bed had gelegen. En opeens is ze er weer, uit de veren.

“Ik heb dorst”, zegt ze. Een verzorgende weet niet hoe snel ze naar de keuken moet rennen voor een glas water.

Pasen is pas over een maand. Maar wij zijn nu al getuige van een wonderbaarlijke wederopstanding.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.