Rotterdamse ridderlijkheid

Er waren grote twijfels bij verzorgenden. Een paar jaar geleden was de kerstviering op een fiasco uitgelopen. Er was geen enkele interactie geweest met de bewoners. Teleurstelling alom. Dit jaar zijn Marinus, de geestelijk verzorger, en ik gevraagd om ‘het opnieuw te proberen’.

Er waren grote twijfels bij verzorgenden. Een paar jaar geleden was de kerstviering op een fiasco uitgelopen. Er was geen enkele interactie geweest met de bewoners. Teleurstelling alom. Dit jaar zijn Marinus, de geestelijk verzorger, en ik gevraagd om ‘het opnieuw te proberen’.

Het is laat in de middag. Het einde van een heldere dag. Buiten flonkeren de eerste sterren. Binnen hangt sfeervolle decoratie aan de muren. Een kerstboom vol lichtjes straalt in de hoek. De kerststal heeft een plaats gevonden op het dressoir. De tafels en stoelen zijn in een restaurantopstelling neergezet. Familieleden zijn uitgenodigd.

Vooraf drinken Marinus en ik nog iets in de eetgelegenheid van het zorgcentrum. Carl zit er ook. Een man van rond de zestig die zich vaak verschuilt achter een maskerade van stoere stekeligheid en jovialiteit, nog versterkt door zijn Rotterdamse accent. Hij kijkt gespannen naar de buitendeur. We lopen langs hem op weg naar de afdeling waar Carl woont. Op de vraag of hij straks ook kerst mee komt vieren antwoordt hij: “Misschien. Ik wacht op m’n vrouw. Zij zou ook komen. Maar ik denk dat ze het vergeten is. Zoals gewoonlijk”.

De onzekerheid die eruit spreekt, het intense gevoel van verlatenheid, weerspiegelt zich in de donkerte buiten en in het Bijbelse verhaal van Maria en Jozef, waarvoor geen plek was in de herberg.

Marinus en ik vervolgen onze weg naar boven. In de huiskamer tempert een verzorgende de lampen om voor extra sfeer te zorgen. Even later komt Carl binnen, zonder zijn vrouw. Om zijn mond is een strakke trek. Hij neemt plaats aan een tafel en werpt een blik op de piano die ik aan het installeren ben. Zonder een woord te zeggen volgt hij mijn bewegingen: het opzetten van de standaard, het gehijs van de piano erop, het aansluiten van het pedaal, het speuren naar een stopcontact.

Dan kijk ik rond op zoek naar een kruk om op te zitten. Hij onderschept mijn blik en begrijpt meteen wat ik nodig heb. “Wacht maar”, zegt ie en loopt naar een aangrenzende ruimte. In de tussentijd rolt een verzorgende een chique draaikruk met kunstleren zitting naar me toe. Ik schuif de luxe kruk naar de plek waar Marinus gaat zitten en als Carl terugkomt, ontvang ik dankbaar een wat krakkemikkiger variant uit handen van mijn helpende ridder. Met graagte neem ik het gevoel van een houten achterwerk op de koop toe vanmiddag.

Marinus opent de kerstviering met het aansteken van een grote kaars. Met zachte pianomuziek begeleid ik zijn handelingen. Een kleinere kaars wordt ontstoken en doet zijn ronde langs alle bewoners en familieleden waarbij ieder een wens naar elkaar mag uitspreken. “Ik niet hoor”, zegt Carl luid. Op dat moment zie ik zijn vrouw binnenkomen en naast hem plaatsnemen.

Het ritueel van het ontsteken van het licht wordt gevolgd door muziek. Aloude kerstliederen klinken waarbij steeds meer stemmen zacht invallen. Dan een onbekender lied, van Keltische oorsprong: Ev’ry star in haev’n is singing, All through the night.

Als de laatste noot naklinkt, hoor ik Carl hardop zeggen: “Het is een goeie tent hier. Hoe lang blijft ie nog open?”. Na het afsluitende lied uit hij opnieuw duidelijk hoorbaar zijn waardering met: “We want more!”. En dat krijgt ie: het tweede couplet van het Keltische wiegenlied: Look, my love, the stars are smiling, all through the night.

Als ik m’n spullen inpak, buigt hij zich naar me toe: “Jij kunt beter piano spelen dan dat ik zing. Nou kan ik niet zo goed zingen”, voegt hij er meteen relativerend aan toe.

Als hij doorheeft dat ik ga vertrekken, loopt hij snel mee naar de gang, quasi om iets te pakken uit zijn kamer. Maar ondertussen kijkt hij of er zich nog obstakels op mijn weg naar buiten bevinden, die hij uit de weg kan ruimen. Zijn ridderlijkheid roert.

Op het moment dat ik naar buiten loop en de deur achter me dicht wil trekken, vang ik zijn blik op. “Hoúdoe”, zegt de Rotterdamse ridder in onvervalst Brabants en met zijn handen in zijn zakken loopt hij terug naar het kerstbuffet. Een mooiere kerstgroet kan ik me niet wensen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.